loek mulder | willem van reijendam | man en woord

Man & Woord levert messcherpe journalistieke producties aan vooraanstaande landelijke en regionale (dag)bladen, radio en televisie. Voor tal van bedrijven en organisaties produceert Man & Woord glasheldere en doeltreffende teksten. Lees meer over wat we voor u kunnen betekenen of bekijk onze contactgegevens.

Dorphoppen in de Marken

Gepubliceerd in het mei-nummer van Fiets (2010)

Loek Mulder

Als de rugwervel van het land lopen de Apennijnen van noord naar zuid Italië. In het hart van die langgerekte bergketen ligt in de provincie Le Marche het nationaal park van de Monti Sibillini. En oh, wat kun je daar mooi fietsen. Loek Mulder reed er drie tochten. Maar startte ietsje noordelijker.

Bedevaart naar Cesenatico, 120 km, circa 1600 hoogtemeters.
Met de slaap nog in het hoofd en de nacht nog in mijn benen verlaat ik de camping in Perticara via het steile toegangsweggetje. Het lijkt wel alsof ik nog steeds niet aan de dromen ben ontsnapt wanneer ik aan de rand van het dorp stuit op een lange houten tafel, overladen met energierepen, sinaasappelpartjes, gevulde bekertjes energiedrank en ander fietsvoedsel. Het is de bevoorrading van een cyclo die vandaag vanuit Cesenatico vertrekt, ongeveer zestig kilometer verderop en mijn eindbestemming.
Mijn zwarte Gaul!-shirt trekt de aandacht van de mannen en vrouwen achter de tafel. Een man steekt zijn duim omhoog: 'Zo'n renner die Charly Gaul', vindt hij. Ik moet ineens denken aan de eerste keer dat in ik eigen land mijn Gaul!-broek en shirt droeg. "Dat Gaul, is dat een fabriek ofzo?", vroeg een renner naast me in het peloton. Hij keek er heel serieus bij. Ik krijg van de Italianen een reep in mijn handen gedrukt en mag verder.
De toertocht rijdt mijn route in tegengestelde richting. Tientallen renners fietsen me tegemoet. Opvallend veel oudere mannen die, aan hun buik te zien, geen maaltijd overslaan. Terwijl de stroom fietsers zich zwetend omhoog zwoegt, zak ik tamelijk ontspannen af naar zeeniveau.
Via de dorpen Sogliano al Rubicone en Borghi beland ik op de kustvlakte waar het autoverkeer regeert. Over een drukke boulevard laveer ik tussen de schaars geklede badgasten en de knetterende brommertjes richting Cesenatico.
Het doel is het graf van Marco Pantani. Het metershoge graf, dat wel wat weg heeft van de Mont Ventoux, blijkt een heus bedevaartsoort. Een schoolklas kinderen verdringt zich voor de ingang. Denk je eens in: groep acht van de basisschool die een excursie onderneemt naar het graf van - wie zullen we eens noemen - Wim van Est. Families nemen alle tijd om de bustes, trofeeën en foto's te betasten. Een oudere vrouw pakt een foto van Pantani van het stapeltje en kust het liefdevol. Het gevoel van de mensen hier voor deze kleine man zit heel diep.
Wat afwezig stap ik weer op mijn fiets en breng een bezoek aan het museum gewijd aan Pantani. Buiten het museum tref ik Massimo in zijn hagelwitte outfit. Hij heeft zijn bidon met vers water gevuld. We maken een praatje en bewonderen elkaars fietsen. Hij vertelt dat hij hier als vriend van Pantani regelmatig komt. "Niemand kon hem helpen", zegt de renner. "Hij was volledig geïsoleerd." Iedere dag nog heeft hij verdriet om het verlies van zijn fietsmaat.

Dorphoppen, 90 km, 1400 hoogtemeters
Enkele dagen eerder ben ik vanuit het noordelijk gedeelte van Le Marche richting het zuiden getrokken. Vertrekpunt is nu de camping van Erna Prins en Rob de Weerd in het dorp Montelparo, tegen de flanken van de Monti Sibillini. Hier heb ik naar uitgezien. Thuis kon ik alleen maar wegdromen boven de kaart. De gele en witte kronkels op het papier zijn nu zwart asfalt en de hoogteprofielen vertalen zich in zweetparels.
Het is alsof de campingeigenaren het erom doen, maar ook hier begint de rit met een onaangenaam steile klim. Bijna twee kilometer omhoog, met daarin twee stukken van ruim vijftien procent. Maar goed dat de fel blaffende honden allemaal stevig aan de ketting liggen, want hard gaat het nu even niet. Ik fiets langs het dorp Montelparo en vervolgens naar San Vittoria en Monte Falcone. Met veel aandacht gerestaureerde plaatsen met enkele cafés, een dorpswinkel en een overdaad aan kerken, want een eeuw geleden voerde de katholieke kerk hier de scepter. En stel je voor dat mensen hier ineens ervoor zouden kiezen protestants te worden, of erger nog: socialist. Dus is zes kerken voor een dorp van een paar honderd inwoners in deze regio hier niks vreemds.
Het gaat op en af, de dorpen liggen telkens op een bergtop van ongeveer zeshonderd meter. Na de drie klimmen begint een afdaling naar Comunanza, vanwaaruit het opnieuw omhoog gaat naar Monte Fortino en Monte Monaco. Ik passeer een boer met een hoofd als een aardappel en een gek sikje. Hij kijkt naar mij en roept uit volle borst: "Gimondiiii". Het Italiaanse equivalent van de nog altijd niet uitgestorven aanmoediging 'hup Jopie'. In Monte Monaco drink ik een cappuccino en dan rond ik de lus via Comunanza en daal relaxed af tot aan de voet van de klim naar Montelparo. Het loopt tegen het middaguur en het is inmiddels ruim boven de dertig graden. De weg voor me zindert van de hitte. Alsof ik een paar honderd meter verderop het water inrijd. Tijd om verkoeling te zoeken in de schaduw bij de beek.

De groene vallei, 120 km, circa 1900 hm
Bijna vier uur duwen is er nodig om het hoogste punt van de dag te bereiken. Alleen een korte afdaling verschaft af en toe enige verlichting. De Monti Sibillini geven zich niet zomaar gewonnen. Dat wist ik van tevoren, want vanaf de camping kijk ik al dagen achtereen tegen het imposante bergmassief aan. En het feit dat die roerloze reuzen van rots er staan, herbergt de uitdaging in zich. Dus rijd ik nu via Comunanza langs Monte Monaco, waar het klimmen echt begint. De weg loopt steiler op, het autoverkeer luwt en veel mensen wonen hier ook niet meer. Ik raak alleen met mijn gedachten en in de laatste lange klim naar de col betrap ik me er weer eens op dat mijn lichaam zich meester maakt van mijn wil. Wanneer ik bedenk dat ik bij dat ene paaltje, zo'n 200 meter verderop lichter ga schakelen, doe ik dat plotseling al ver voor dat punt. Waarom luisteren mijn handen aan de schakelgrepen niet naar wat ik wil dat ze doen? Ze gaan potdomme gewoon hun eigen gang. Wie is hier nou eigenlijk de baas?
Ondertussen wordt het groen steeds meer rots. Ik blijf trappen tot ik op ruim 1400 meter hoogte een smalle doorsteek maak tussen twee rotswanden. De passage leidt naar een geheel andere, betoverende wereld. Het ruige landschap ondergaat met een schok een gedaanteverwisseling. Er strekt zich een golvend tapijt voor me uit, bezaaid met korenbloemen, kamille en dieprode klaprozen en beschermd door een wand van bergen: de Piano Grande, de groene equivalent van Death Valley. Eén grote speelweide. Visioenen krijg ik. Van watervallen, dansende vrouwen in wapperende, doorzichtige witte jurken en tafels vol lekkers. Maar ondertussen moet ik gewoon goed opletten bij het afdalen over een stuiterweg die leidt naar wat heel vroeger gewoon de bodem van een meer was. In de hoek van de groene vallei ligt het dorpje Castellucio, bovenop een bergtopje. Ik fiets erheen en drink er koffie, cola en eet er fijne taart.
Ik doorkruis de Piano Grande naar de westelijke kant van de kom. Helemaal de Hollandse polder is het niet, maar de wind op de vlakke Piano Grande doet me er wel aan denken. Met drie tot in de puntjes gesoigneerde Italiaanse renners rijd ik naar de doorsteek aan de andere zijde van de vlakte. Gezamenlijk dalen we af naar Norcia. Wat rijden die mannen voorzichtig naar beneden. Is dat ergens om, of kunnen ze niet beter? Doen ze altijd, zegt een van hen. Hard waar het hard moet en anders niet.

Onverhard hoogtepunt, 80 km, 1200 hoogtemeters
De avond tevoren en-passant het campingrecord verbroken. Landgoed- en campingeigenaren Rob en Erna hebben rond het dorpje Montelparo een op-en-af-tijdrit-circuitje van een kilometer of 18 uitgezet. Of ik dat rondje ook maar even op z'n hardst wilde rijden. Met plezier uiteraard, want de beloning was een werkelijk fraaie fles frizzante. Met die tijdrit nog in de benen klik ik een dag later in Sarnano mijn fietsschoenen vast. Ik tel nu voor twee, want ik ben een gewaarschuwd man. Het traject dat ik in gedachten had, zou nauwelijks zijn te fietsen, beweerde gastheer Rob. De laatste keer dat hij het reed, had zijn Landrover de grootste moeite met de zware keien, steenslag en gaten en kuilen in de weg. En de kans was groot dat lange stukken inmiddels verder verslechterd zouden zijn, aldus Rob. Die bangmakerij maakt de uitdaging echter alleen maar groter. En bovendien is een fiets geen Landrover.
Ik rijd vandaag de atb met brede slicks. Vanuit Sarnano gaan de eerste 12 kilometer verhard omhoog naar 1500 meter. Een wat onregelmatig verlopende, maar verder aangename klim. Ondanks het vroege tijdstip is het reeds zeer warm. Zweet loopt in dunne stroomjes over mijn armen. Bijna boven passeer ik een foeilelijk skidorp, Sassotetto geheten. Op de col waait het hard en na een korte afdaling naar Pintura di Bolognola begint het echt. De weg gaat over in een keienpad dat zich tegen de bergwand heeft aangevleid. Kilometers verderop is tussen twee bergtoppen de pas te zien waar de weg heen leidt. Laverend tussen de keien stuiter ik naar boven. Het is zwaar fietsen, maar het is te doen.
Uitgezonderd een rammelende pickup met een dood schaap in de laadbak, zie ik hier geen teken van leven. Na de col is links een diep dal en rechts van me bevinden zich de afgeronde toppen van de Sibillini. Dit is het domein van de schaapherders en hun kuddes. Terwijl de schapen grazend over de weiden sjokken, werken de mannen lui liggend in de berm hun brood en kaas naar binnen.
Zo'n 10 kilometer gaat het lichtjes bergaf over een redelijk te berijden pad. Drie keer word ik in twijfel gebracht op een splitsing. Ik vertrouw op mijn intuïtie en die laat me gelukkig niet in de steek. Ik schat in dat ik om een paar bergtoppen heen moet fietsen en dat klopt ook. Dan volgt een langdurige en zeer moeizame afdaling over een bijzonder ruw keientraject. Ik wil te hard en betaal daarvoor de tol in de vorm van twee lekke banden. Dan kom ik in Fiastra, een dorp aan de boorden van een kil stuwmeer. Ik daal af naar de vallei en zet in Sarnano mijn fiets weer op de drager. Een autofauteuil zit ook best fijn, stel ik dan vast.

 

Reisinfo
De regio Le Marche (De Marken) is vanaf Utrecht circa 1400 kilometer. Vooral langs de kust zijn er volop campings, hotels en bed en breakfasts. De strook langs de kust is veelal vlak en vooral geschikt voor zon-, zee-, en strandaanbidders. Om te fietsen zijn de binnenlanden interessanter. Het aantal campings is daar echter gering. Ik verbleef op een uitstekend geoutilleerde camping in Perticara, gerund door de Nederlanders Bert en Nel Eigenbrood www.campingperticara.com In het hoogseizoen is reserveren er noodzakelijk. Dat geldt ook voor de tweede plek waar ik de tent had opgezet, de minicamping van Rob de Weerd en Erna Prins www.agricamppicobello.com. Een voormalige wijnboerderij bij het dorp Montelparo. Dat ligt aan de rand van het nationaal park van de Monti Sibillini, een berggebied waarvan de toppen tot ruim 2300 meer reiken. Is dat niet hoog genoeg, dan liggen ietsje zuidelijker de Abruzzen, een ruig berggebied waar wilde zwijnen, wolven, en beren huizen. De klimmen in de Marken zijn vaak steil en een triple is er zeer bruikbaar.

categorie: ook de moeite waard

ook de moeite waard